HR 8 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1598
01-01-2025 | Categorie: Jurisprudentie
Hof passeert ten onrechte bewijsaanbod ten aanzien van bestaan obligatoire gemeenschap van woning
Geschil tussen de partner van erflaatster en haar erfgenamen over de afwikkeling van de vermogensrechtelijke gevolgen van hun samenwoning. Is er sprake van een stilzwijgende afspraak tot een obligatoire gemeenschap van woning? De partners hebben in deze zaak geen schriftelijke samenlevingsovereenkomst gesloten. De woning is eigendom van de vrouw. De man heeft ten behoeve van de aankoop van de woning de eerste bouwtermijn en de notariskosten betaald. De vrouw overlijdt. De man beroept zich op een obligatoire gemeenschap van woning op grond van een stilzwijgende afspraak met de vrouw. Concreet betekent dit dat hij van de erfgenamen van de vrouw betaling van de helft van de overwaarde van de woning vordert. De man heeft zijn stelling met verschillende feiten en bescheiden onderbouwd. Volgens de rechtbank is sprake van ongerechtvaardigde verrijking en is deze vordering niet verjaard omdat de verlengde verjaringstermijn die geldt voor echtgenoten zich leent voor overeenkomstig toepassing. Het hof heeft in hoger beroep de vordering van de man afgewezen, op de grond dat de man zijn stelling onvoldoende heeft onderbouwd. Het hof heeft in hoger beroep dit oordeel van de rechtbank vernietigd. Het hof verwijst in de eerste plaats naar een arrest van de Hoge Raad uit 2019, waarin is overwogen dat de vermogensrechtelijke verhouding tussen informeel samenlevenden niet wordt bepaald door de regels die voor echtgenoten en geregistreerde partners zijn gelden, en dat die regels zich niet lenen voor overeenkomstige toepassing op de verhouding tussen informeel samenlevenden.
Voor zover uit dat arrest niet moet worden afgeleid dat de verlengingsregeling niet zonder meer analoog moet worden toegepast op informeel samenlevenden, oordeelt het hof dat partijen geen enkele afspraak hebben gemaakt ten aanzien van hun vermogensrechtelijke verhoudingen.
A-G Hartlief concludeert dat de Hoge Raad in het arrest uit 2019 duidelijkheid heeft geschapen over welke algemeen vermogensrechtelijke grondslagen bestaan voor vorderingen tussen informeel samenlevenden. Daarmee is nog niet gezegd dat zij ook steeds soelaas bieden. Inherent aan deze grondslagen is echter het contextuele en feitelijke karakter. De eisende partij zal voldoende feiten moeten stellen opdat de vordering in rechte op een van de vier genoemde grondslagen kan worden toegewezen. De A-G stelt de vraag of de wetgever aan zet is.
Volgens de Hoge Raad heeft het hof het bewijsaanbod van de man ten onrechte gepasseerd.
Meer informatie:
Naar jurisprudentie overzicht