Conclusie A-G Wattel 25 oktober 2024, ECLI:NL:PHR:2024:1114
11-11-2024 | Categorie: Jurisprudentie
Volgens A-G geen volledige BOR bij schenking na ruziesplitsing
Hoe moet in geval van een ruziesplitsing voorafgaand aan de schenking worden omgegaan met het bezitsvereiste, inhoudende dat de schenker gedurende vijf jaren tot de schenking aanmerkelijkbelanghouder was terzake van de indirect geschonken bestanddelen?
De schenker hield in 2011 via holding E B.V. een aanmerkelijk belang van 49% in tussenholding D B.V. De overige 51% in D B.V. werd gehouden door een derde. Tussenholding D B.V. hield een aantal dochtermaatschappijen waarin ondernemingen werden gedreven met als activiteiten het exploiteren van hoorcentra en optiekcentra. In 2011 heeft een splitsing van tussenholding D B.V. plaatsgevonden. Het gaat om een zogenoemde ‘ruziesplitsing’. Hierbij werden de activiteiten ‘horen’ en ‘zien’ verdeeld tussen de schenker en de derde. De schenker verkreeg via diens holding E B.V. het volledige gedeelte in ‘horen’ in de na splitsing ontstane nieuwe tussenholding D2 B.V. In 2012 heeft een afsplitsing plaatsgevonden van holding E B.V. van de schenker naar B B.V., een 100% (direct) aanmerkelijk belang van de schenker. Op 25 september 2013 heeft de schenker alle aandelen in B B.V. geschonken aan haar zoon, belanghebbende.
Uit de wet volgt volgens de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2023:647) dat de schenker van aanmerkelijkbelangaandelen deze aandelen ten minste vijf jaren voorafgaande aan de schenking onafgebroken in bezit dient te hebben gehad (directe bezitstermijn) en dat de vennootschap waarvan de aandelen worden geschonken ten minste vijf jaren een onderneming dient te hebben gedreven (indirecte bezitstermijn). Indien de schenker een indirect aanmerkelijk belang heeft in een lichaam, moeten de ondernemingsactiviteiten van dat lichaam worden toegerekend aan de vennootschap waarvan de aandelen worden geschonken. Voorts moet bij een splitsing en bij een afsplitsing, op grond van de Uitvoeringsregeling schenk- en erfbelasting, de bezitsperiode van de verkregen aandelen en die van de afgestane aandelen bij elkaar worden gevoegd als ware het één periode. Voor de indirecte bezitstermijn is ook van belang of de aan D. B.V. toegerekende activiteiten van haar dochtermaatschappijen één onderneming vormden en of schenker bij de splitsing van D B.V., via E B.V. een met haar indirecte aandelenbelang overeenstemmend gedeelte van die activiteiten heeft verkregen. Per onderneming moet namelijk worden beoordeeld of de schenker aan de indirecte bezitseis voldoet.
Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelt dat belanghebbende uiteindelijk de objectieve onderneming ‘horen’ heeft voortgezet en dat in dat kader de belangen bij de overige ondernemingen van D bv zijn uitgeruild. Belanghebbende maakt met hetgeen hij aanvoert niet aannemelijk dat sprake is van één centrale leiding. Er is bij horen en zien geen sprake van één onderneming. Het hof overweegt hierbij ook dat belanghebbende niet onderbouwd kan aangeven hoe de besluitvorming binnen de door hem gestelde centrale leiding van het concern plaatsvindt, hoe de managementfees van de door hem gestelde centrale leiding worden bepaald en hoe deze worden verdeeld over de verschillende dochtervennootschappen. Ook onderbouwt belanghebbende niet hoe de kosten van onderling uitgeleend personeel worden doorbelast. Er is geen sprake van een zodanige samenhang dat de activiteiten van de drie dochtervennootschappen van D bv bij elkaar tezamen één objectieve onderneming vormen.
A-G Wattel concludeert dat de stelling van belanghebbende, dat bij de ruziesplitsing - als het om twee objectieve ondernemingen zou gaan - een nieuwe vijfjaars-bezitstermijn ex art. 35b SW is gaan lopen voor de uitbreiding van schenkers subjectieve gerechtigdheid (van 49% naar 100%) in de onderneming’ horen’, onjuist is. Volgens de A-G is de uitleg van het hof juist. Ook de stelling van belanghebbende, dat toch aan de vijfjaars-bezitstermijn wordt voldaan, is volgens de A-G onjuist. Belanghebbende stelt daarbij dat, als de ondernemingen ‘horen’ en ‘zien’ als twee objectieve ondernemingen moeten worden beschouwd, de bezitsperioden van de schenker van vóór en na de ruziesplitsing bij elkaar geteld moeten worden (art. 9 lid 2 Uitv. reg. schenk- en erfbelasting). Volgens de A-G had de Hoge Raad de zaak dan wel zelf af kunnen doen, omdat dan niet relevant zou zijn hoeveel objectieve ondernemingen er waren ten tijde van de ruziesplitsing. Er zou dan hoe dan ook voldaan zijn geweest aan de bezitseis. De A-G adviseert de Hoge Raad om het beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond te verklaren.
Meer informatie:
Naar jurisprudentie overzicht